‘We moeten wennen aan het idee dat groene stroom weggooien soms het beste is’

Er kunnen veel kosten bespaard worden als de capaciteit van de aansluitkabels van wind- en zonneparken minder zwaar zijn dan de parken zelf. Op de zeldzame momenten dat op vol vermogen geproduceerd kan worden, zal dan moeten worden afgeschakeld, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de lagere maatschappelijke netwerkkosten, betoogt consultant Simon Kamerbeek van Liandon.

Kamerbeek hield zijn betoog woensdag tijdens de Sunday, een jaarlijks congres over zonne-energie. Een van de vraagstukken waar de sector zich tijdens de bijeenkomst over boog, was: hoe kan zonne-energie zo goed mogelijk worden ingepast in het totale energiesysteem. Een deel van de oplossing ligt volgens Kamerbeek in een slimmer ontwerp van de aansluitingen en de kabels: die hoeven niet zo zwaar te zijn als waar de maximale productiepiek van een installatie om vraagt.

Op zichzelf is dat niet een nieuw geluid: voor offshore wind onderzocht het Flow-consortium bijvoorbeeld al eens of het bij een offshore windpark niet slimmer is om de kabel waarmee de stroom aan land wordt gebracht, een lager vermogen te geven dan het vermogen van het windpark.

‘Het is alsof je de route soleil dimensioneert op zwarte zaterdag’

Voor een ontwikkelaar is dat geen aantrekkelijk idee, want het betekent dat hij op sommige momenten niet zijn volledige productie kwijt kan en dus moet terugschakelen. En voor een ontwikkelaar van een zonnepark zijn de netwerkkosten ook maar 10% van het totaal, zei Kamerbeek. Maar daarnaast komen bij het aansluiten van een zonnepark ook nog de gesocialiseerde netwerkkosten kijken -daardoor is het werkelijke aandeel van de netkosten volgens Kamerbeek zo’n 30% van het totaal. En als de kosten van wind en zon dalen, wordt dat aandeel alleen maar groter. Als naar de totale maatschappelijke kosten wordt gekeken, is een iets lagere productie dus best acceptabel als daar lagere netkosten tegenover staan.

Slim ontwerpen

Om wind- en zonneparken tegen zo laag mogelijk netwerkkosten aan te sluiten, hanteert Kamerbeek een aantal ontwerpregels. Een daarvan is dat meerdere parken, en ook combinaties van wind en zon, waar mogelijk gecombineerd moeten worden op één aansluitpunt. Een zonnepark heeft volgens Kamerbeek over het hele jaar gezien een benuttingsgraad van ongeveer 10% -dat wil zeggen dat als voor een zonnepark van 10 MWp een kabel van 10 MW wordt neergelegd, de capaciteit van die kabel voor 90% ongebruikt blijft. Windparken doen het met een benuttingsgraad van zo’n 30% iets beter.

Twee parken van ieder 1 MW aansluiten op één kabel van 1 MW, zal het grootste deel van de tijd dus geen problemen opleveren. Hierdoor zal op piekmomenten weliswaar minder geproduceerd kunnen worden, maar over het hele jaar gezien zijn de maatschappelijke kosten per kWh lager. Steek je de bespaarde netkosten vervolgens in meer wind en zon, dan kun je dus juist meer duurzame energie produceren voor hetzelfde geld, aldus Kamerbeek.

“Extra infrastructuur aanleggen voor het opvangen van productiepieken is oneconomisch“ is de kernboodschap van Kamerbeek. ”Het is alsof je de route soleil dimensioneert op zwarte zaterdag, en hij de rest van het jaar grotendeels leeg blijft.“ Toch ligt dat bij duurzame energie gevoelig, ziet Kamerbeek. “Daar zit een emotie aan vast, men wil geen duurzame energie weggooien. Maar het is belangrijk om te snappen dat je niet de productiepieken tot de laatste kWh moet willen verwerken. We zullen moeten wennen aan het idee dat we stroom soms beter kunnen weggooien.“

Overigens is afschakelen -curtailment in vakjargon- niet de enige mogelijkheid voor de hoogste pieken. Een ontwikkelaar kan er ook voor kiezen om voor piekmomenten een batterij te plaatsen, of stroom om te zetten in waterstof of een ander gas. Maar ook voor zulke oplossingen geldt volgens Kamerbeek dat het voor de laatste paar procent van de piek niet meer rendabel is. Er komt altijd een moment waarop het volgens hem meer energie en geld kost om extra opslag of extra kabels aan te leggen dan de energie “gewoon te laten lopen”.

Atlas van de beschikbare capaciteit

Kamerbeek pleit er ook voor dat netbeheerders kaarten gaan maken waarop zij aangeven op welke locaties het mogelijk is om stroomproductie-installaties te bouwen tegen zo laag mogelijke netwerkkosten. “We werken vanuit Liandon aan een ‘atlas van de beschikbare capaciteit”, zegt Kamerbeek. “Daarop kun je zien waar extra opwek mogelijk is zonder extra investering in de infrastructuur.” Een geheel nieuwe manier om locatiekeuzes te maken, volgens Kamerbeek: “Zo hebben netbeheerders nog nooit met de markt gecommuniceerd.”

Bron: Duijnmayer, D. (2017, 9 november). ‘We moeten wennen aan het idee dat groene stroom weggooien soms het beste is’. Geraadpleegd van https://energeia.nl/energeia-artikel/40061003/we-moeten-wennen-aan-het-idee-dat-groene-stroom-weggooien-soms-het-beste-is